Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AN9130

Datum uitspraak2003-10-14
Datum gepubliceerd2003-11-28
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
Instantie naamRechtbank Zutphen
Zaaknummers: 03-1219 GEMWT 29
Statusgepubliceerd


Indicatie

Anders dan eiser stelt onvoldoende concreet uitzicht (in het voor-ontwerp Reconstructie Veluwe) op legalisering van huifkarcentrum en bovendien andere middelen van bestaan. Daarom vereist onverwijlde spoed geen voorlopige voorziening nog voordat verweerder heeft beslist op het bezwaarschrift van eiser tegen het dwangsombesluit stekkende tot beiendiging van het centrum.


Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN Sector Bestuursrecht Reg.nr.: 03-1219 GEMWT 29 UITSPRAAK op het verzoek om een voorlopige voorziening in het geschil tussen: [verzoeker] , te [plaats], verzoeker, en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Apeldoorn, verweerder. 1. Aanduiding bestreden besluit Besluit van verweerder, waarbij verzoeker per 1 december 2003 bestuursdwang is aangezegd ter zake van beƫindiging van een huifkarcentrum en een partycentrum annex horecabedrijf en het verwijderen van een partytent en een overkapping op het perceel Assel 12. 2. Procesverloop L.J. Moolhuizen heeft bij brief van 14 augustus 2003 namens verzoeker een bezwaarschrift bij verweerder ingediend. Bij brief van 3 september 2003 is verzocht om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het verzoek is behandeld ter zitting van 13 oktober 2003, alwaar verzoeker en de heer Moolhuizen en namens verweerder J. Groeneveld zijn verschenen. 3. Motivering Ingevolge artikel 8:81 van de Awb dient te worden nagegaan, of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, een voorlopige voorziening vereist. Voor zover deze toetsing meebrengt dat het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft deze uitspraak daaromtrent een voorlopig karakter en is deze niet bindend voor de beslissing in die procedure. Verzoeker wil met zijn verzoek bereiken dat zeker wordt gesteld dat hij - in de woorden van zijn gemachtigde - in het zicht van de veilige haven (legalisering) niet genoodzaakt wordt zijn bedrijfsvoering te staken. Aan het Reconstructieplan Veluwe van de provincie Gelderland kan naar voorlopig oordeel evenwel niet de betekenis worden toegekend die verzoeker daaraan toekent. Het gaat om een voorontwerp-plan met alternatieven waaruit nog gekozen moet worden. In het voorontwerp staan wel enkele uitgangspunten die in algemene zin een activiteit als die van verzoeker ondersteunen maar het ontwerp geeft geen duidelijk antwoord op de vraag of die activiteit op deze locatie aanvaardbaar is. Bovendien moeten er nog convenanten met de gemeentebesturen worden gesloten over de uitvoering van het plan en duidelijk is dat het gemeentebestuur van Apeldoorn niet wenst mee te werken aan legalisering. Verweerder dient nog een beslissing te nemen op het bezwaarschrift van verzoeker en in dit stadium kan dan ook bezwaarlijk - als een voorlopig oordeel - worden gezegd dat verweerder in redelijkheid niet tot het bestreden besluit heeft kunnen komen omdat legalisering aanstaande is. Na ommekomst van de begunstigingstermijn breken maanden aan waarin verzoeker met zijn bedrijf weinig inkomsten kan genereren, terwijl verzoeker, op de momenten dat hij daartoe de noodzaak ziet, een inkomen verwerft als chauffeur. Onder deze omstandigheden moet dan ook worden gezegd dat onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, geen voorlopige voorziening vereist nog voordat verweerder op het bezwaarschrift van verzoeker heeft beslist. Nadat op het bezwaarschrift is beslist en verzoeker beroep heeft ingesteld kan hij verzoeken om versnelde behandeling van het beroep of vragen om een voorlopige voorziening met het verzoek tevens te beslissen omtrent het beroep. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Awb. 4. Beslissing De voorzieningenrechter van de rechtbank, recht doende: wijst het verzoek af. Aldus gegeven door mr. J.A. Lok en in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2003 in tegenwoordigheid van de griffier.